1920 - 1940: poldermeisjes aan de top

Untitled document

.Januari 1925. Er klinkt gespartel in het Rotterdamse zwembad De Kous. Enkele meisjes luisteren gelaten naar de instructie van hun trainster, die op strenge toon aanwijzingen geeft. De meisjes knikken. Met hun benen spelen zij met het water. Nog geen drie jaar later zijn het diezelfde benen, die Nederland wereldrecords, Europese titels en Olympische medailles zullen brengen.

Sport als volksvermaak

Op 11 november 1918 zwegen de kanonnen. De Grote Oorlog van 1914 was ten einde. Zij had echter diepe wonden geslagen in Europa. Ruim vijf miljoen jonge mannen hadden de dood gevonden in de loopgraven. De materiële schade bedroeg vele honderden miljarden Amerikaanse dollars. Grote delen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk waren volledig verwoest. De wereld had aan den lijve ondervonden, waar de mens met zijn negentiende-eeuwse, technische vindingen toe in staat was. 'Plus jamais ça', luidde het parool van de daaropvolgende jaren. Terwijl de politieke leiders in Versailles een vredesverdrag beklonken en voorts met de grootst mogelijke moeite hun economieën weer poogden op te bouwen, zocht de bevolking naarstig naar afleiding. Jongeren uit gegoede milieus stortten zich in het uitgaansleven. Zij kleedden zich naar de laatste mode, luisterden naar jazzmuziek, bezochten bioscopen en deden dance halls aan, waar nieuwe dansen als de charleston werden aangeleerd. In huiselijke kring deed de radio zijn intrede en ook de de grammofoon, de telefoon, de koelkast en de automobiel verwierven een vaste plaats in het dagelijks leven van de 'betere ' kringen. De tijd van de roaring twenties was aangebroken.

Telefoon Art Deco glas-in-lood-raam Radio Mode

De populariteit van sport nam in deze années folles gestadig toe. Het publiek toog in grote getale naar de stadions, waar het vol bewondering de verrichtingen van de sporters gade sloeg. Dankzij het opkomende sportjournaille, welk de sportieve prestaties via de krant, de radio en de film over een steeds breder voetlicht kon brengen, verloor de sport haar voor-oorlogse elitaire karakter. Zij werd allengs tot een vorm van volksvermaak verheven, al bleef de sportbeoefening zelf nog enige tijd buiten het bereik van de massa. Het sporten onder (jonge) dames won evenwel terrein. Het modebeeld - dat in het fin de siècle nog korsetten had voorgeschreven om de vrouwelijke rondingen te accentueren en thans in de jaren twintig een jongensachtige figuur stipuleerde - moedigde vrouwen aan sport te bedrijven.

Amsterdam leidt, Rotterdam dicteert

De Eerste Wereldoorlog had de Olympische cyclus wreed verstoord. In de oorlogsjaren was er geen ruimte voor een sportief festijn, waarbij de volkeren zich rondom de sport zouden verbroederen. De Spelen van 1916 hadden dan ook geen doorgang gevonden. Het Internationaal Olympisch Comité was echter geenszins van plan zijn sportieve droom te laten varen. Toen het vuren in 1918 werd gestaakt, ijverde het voor een herstart van de Spelen. De zevende Olympiade zou in 1920 plaats moeten hebben. Ten einde het zwaargetroffen België tegemoet te treden, werden de Spelen aan Antwerpen toegewezen. In ijltempo werd de organisatie ter hand genomen, zodat koning Albert I op 20 april 1920 de openingsceremonie kon verrichten. De Olympische Spelen verliep voor het Nederlandse zwemmen vrij geruisloos. De 1:05.2 van Ko Korsten op de 100 meter vrije slag - waarmee hij als beste Europeaan tot in de halve finale reikte - vormde het belangrijkste wapenfeit van de Nederlandse zwemdelegatie. Niettemin had Antwerpen voor een doorbraak gezorgd. De Nederlandse zwembond had het voor het eerst aangedurfd een vrouw af te vaardigen. Rie Beisenherz van ADZ mocht uitkomen op de 100 meter vrije slag. Haar tijd van 1:22.9 bleek evenwel niet voldoende voor de halve finales. 'Ik had in mijn serie de pech dat ik twee Amerikaansen trof', zo memoreerde de zwemster later. 'Die waren zo goed als professioneel. Ik weet nog hoe we daar bij de start stonden. Die meiden diep door de knieën en ik stond er als een pilaar bij. Nou, toen ben ik ook maar zo'n beetje door mijn knieën gezakt. (...) Ik zwom zo hard ik kon, voor mijn gevoel had ik nog nooit zo hard gezwommen. Maar ik werd derde en dat was niet voldoende om verder te komen.' Hoewel het resultaat van de Amsterdamse zwemster niet buitengewoon kan worden genoemd, is de deelname van Rie Beisenherz van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het Nederlandse dameszwemmen. Voor het eerst kwam een Nederlandse zwemster in aanraking met concurrentes op een groot internationaal toernooi, wat in die tijd - toen internationale contacten schaars waren - een uitgelezen kans bood om de nieuwste ontwikkelingen in de sport gade te slaan. Bovendien was met de deputatie van Rie Beisenherz het pad geëffend voor andere zwemsters na haar.

OS 1920
OS 1920: start van Duke Kahanamoku

 

Aan het begin van de jaren twintig werd er in Nederland evenwel niet hoog opgegeven van sportende vrouwen. Dat het 'zwakke geslacht' zichzelf zou afpeigeren op 's lands sintel-, wieler-, en zwembanen was een schrikbeeld voor elke weldenkende burger. Een vrouw, toonbeeld van gratie en bevalligheid, was toch niet geschapen om zich over te geven aan grote fysieke arbeid. Dit had sommige vrouwen er evengoed niet van weerhouden sport te bedrijven. Reeds in 1880 was in Amsterdam de Amsterdamse Dames Zwemclub (ADZ) opgericht, waar vrouwen - veelal gekleed in badpakken die het gehele lichaam bedekten - de zwemsport beoefenden. Ofschoon dit initiatief in den beginne op weinig bijval kon rekenen, werd de gang der vrouwen naar de zweminrichting meesmuilend toegestaan. Al vlug werden er ook in andere steden speciale dameszwemclubs opgericht, waardoor onderlinge wedstrijden niet konden uitblijven. Rie Beisenherz had daarenboven in 1920 bewezen dat de vrouw mans genoeg was zich te mengen in de internationale zwemstrijd. Toen de Hollandse Dames Zwemclub (HDZ) - eveneens uit Amsterdam - in 1922 een demonstratie gaf, werd deze dan ook met de nodige belangstelling bekeken. Niet in de laatste plaats door mevrouw Marie Braun-Voorwinde (1881 - 1956), een Rotterdamse badjuffrouw, die als 'Ma' Braun geschiedenis zou schrijven. Bij het zien van de zwemkunsten der Amsterdamsen, zou zij hebben gezegd: 'wat ze in Amsterdam kunnen, moeten wij ook in Rotterdam leren, en beter.' Zij richtte derhalve op 1 mei 1922 de Onderlinge Dameszwemclub (ODZ) op en verzamelde een schare talentvolle zwemsters om zich heen, die met het oog op de Olympische Spelen van 1924 aan een stringent trainingsregime werden onderworpen. Zij eiste van haar pupillen een volledige overgave. Wie in de ogen van Ma Braun de kantjes ervan afliep werd meedogenloos de wacht aangezegd. 'Ze kon dan boos haar neus optrekken, haar onderlip ging trillen en dan stapte ze met één been naar voren en zette haar handen in de zij', zo herinnerde Jopie van Alphen zich. Immer in een jurk gehuld, liep Ma Braun in straffe pas langs de bassinrand, haar zwemsters aanwijzingen en aanmoedingen toeschreeuwend. Ze besefte evenwel dat er meer nodig was dan ijver, vlijt en discipline om het zwemmen in Nederland naar een hoger niveau te tillen. Ma Braun bestudeerde daarom de nieuwste trainingsmethodieken. Zij was ervan overtuigd, dat ook de vrouwen tijdens de trainingen lange afstanden dienden af te leggen om in wedstrijden van 100, 200 of 400 meter over voldoende kracht en energie te beschikken voor het slot van de race. Bovendien begreep ze, dat een goede techniek de basis vormde voor succes. Als één van de eerste trainers in Nederland onderwierp zij de slag van haar pupillen derhalve aan een grondige analyse. Zo legde Ma Braun zich onder meer toe op de crawlslag, een zwemtechniek welke verre van gemeengoed was in het Nederland van de jaren twintig, waar vooral de schoolslag of de Spaanse slag werden beoefend.

De Olympische Spelen van 1924 in Parijs waren de eerstvolgende zwemontmoeting, waarin Nederland zich kon meten met de internationale concurrentie. Ditmaal vaardigde de NZB twaalf zwemmers af: acht mannen en vier vrouwen. Nederland verscheen tevens voor het eerst met estafetteploegen aan de start. De heren namen deel aan de 4 x 200 meter vrije slag en de dames gingen bij de 4 x 100 meter vrije slag te water. Hoewel de mannen genoegen moesten nemen met een halve finaleplaats en de vrouwen niet verder konden reiken dan de zesde en laatste plaats, waren de resultaten bemoedigend. Nederland was immers in staat gebleken vier goede zwemmers en zwemsters te selecteren, die de Spelen waardig waren. Individuele finales werden niet gehaald, ofschoon dat vooral te danken was aan een arbitrale beslissing. Marie Baron, een pupil van Ma Braun, had in de series van de 200 meter schoolslag namelijk een onwaarschijnlijk snelle tijd van 3:22.6 gezwommen, waarmee zij al haar tegenstanders het nakijken had gegeven. 'Zij (...) [had het toch klaargespeeld] om daar, te midden van de bloem der zwemsters van heel de wereld te laten zien, wat schoolslagzwemmen is. (...) Daar zwom een jong, stevig kind; nooit had iemand buiten onze grenzen van haar gehoord', zo jubelen Ben Planjer en Jan de Vries in 1948 nog na in hun boek Het water in!. 'Maar helaas, in de onervarenheid van haar jeugd, vergat zij éénmaal, dat elk keerpunt met twee handen gelijktijdig moest worden aangeraakt.' De jury bleek onvoorbiddelijk en Marie Baron werd gediskwalificeerd, waarmee de kansen op Olympisch goud waren vervlogen, een wrange gedachte temeer daar in de finale geen van de andere zwemsters ook maar in de buurt kon geraken van de tijd van Marie Baron.

Ma Braun wist wat haar te doen stond. Zij had tijdens de Spelen in Parijs gezien hoe de Amerikaanse zwemsters naar hun overwinningen hadden toegezwommen. Zij was vast besloten om over vier jaar met de Nederlandse ploeg hetzelfde te doen. Naast Marie Baron had Ma Braun namelijk nog een ander ijzer in het vuur: haar eigen dochter Marie Braun. Zij hervatte daarom met nog meer gedrevenheid haar trainingen in het Rotterdamse zwembad De Kous, verfijnde haar trainingsleer en nam zelfs Marie Baron in huis om haar optimaal te kunnen voorbereiden op de volgende Olympiade. Het gat met het buitenland moest en werd gedicht. In 1926 kon er voor het eerst een Nederlandse wereldrecordhoudster worden bijgeschreven in de recordboeken van de FINA. Op 24 oktober beëindigde Marie Baron in een Brussels zwembad na 3:18.4 haar race op de 200 meter schoolslag.

In aanloop naar de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam werd op 19 augustus 1926 de Ligue Européenne de Natation (LEN) opgericht, wier voornaamste taak was gelegen in de verbreiding en popularisering van de zwemsport door middel van het organiseren van continentale kampioenschappen. De eerste editie van dit nieuwe evenement had nog datzelfde jaar plaats in Boedapest. Nederland had - nota bene als één van de oprichters van de LEN - van deelname afgezien. Een uitnodiging voor de Europese Kampioenschappen van 1927 werd echter niet afgeslagen. Een ploeg van vijftien zwemmers toog naar Bologna, waar - in tegenstelling tot Boedapest - ook vrouwen zouden strijden om de titels. Het kampioenschap bleek van historische importantie voor de Nederlandse zwemsport. Voor het eerst tijdens een internationale ontmoeting betraden Nederlandse zwemmers het erepodium. Marie Vierdag won de 100 meter vrije slag na aanwijzing van de jury, toen de tijd geen uitsluitsel kon geven. Willie den Turk behaalde eveneens een gouden medaille. Zij tikte op de 100 meter rugslag net iets eerder aan dan Marie Braun, die reeds had gezegevierd op de 400 meter vrije slag. De dames van de 4 x 100 meter vrije slagestafette zwommen tenslotte naar de tweede plaats, waarmee het totaal op vijf medailles kwam te staan. Een uitzonderlijke prestatie, zeker als men zich er rekenschap van geeft dat er toentertijd door de dames slechts vijf afstanden werden verzwommen. Alleen op de 200 meter schoolslag bleef eremetaal uit. Marie Baron werd teleurstellend vierde. 'De tijd (...) 3.29, wijst er wel op, dat zij een off-day had', zo mijmerde Het Vaderland op 8 september 1927.

De resultaten van de Nederlandse mannen bleven in Bologna achter bij de vrouwen. Het herencontigent bleek (wederom) over te weinig kwaliteiten te beschikken om de strijd aan te gaan met hun buitenlandse tegenstrevers. De Zwemkroniek was in 1928 dan ook ongemeen fel in haar kritiek op de selectiewedstrijden voor de Spelen van Amsterdam. 'Wanneer men de lijst van inschrijvingen ziet, dan kan men niet anders zeggen dan dom en onverantwoordelijk. Men schijnt geen flauw idee te hebben wat er op de Olympisch Spelen vereischt wordt.' De mannenploeg slaagde er in Amsterdam niet in om deze woorden in het Olympisch zwembad van 1928 te logenstraffen. Net als in 1920 en 1924 wist geen enkele Nederlandse zwemmer door te dringen tot de finale. Het laatste woord was daarom aan het 'zwakke' geslacht, dat in 1928 door menigeen te verheven werd bevonden voor de weinig beschaafde, fysieke inspanningen van de sport en zich derhalve op andere, godsvruchtiger taken diende toe te leggen. Desalniettemin waren het uitgerekend de vrouwen, die het gezicht van de NZB redden. Na een zinderende finale, welke het publiek niet onberoerd had gelaten, triomfeerde Marie Braun op de 100 meter rugslag. Zij had eerder in het toernooi al beslag weten te leggen op het zilver in de wedstrijd over 400 meter vrije slag. Haar land- en clubgenote Marie Baron revancheerde zich voor haar race in Parijs en zwom naar zilver op de 200 meter schoolslag. Een arbitrale beslissing bij de 4 x 100 meter vrije slag - Truus Baumeister werd gediskwalificeerd vanwege een te vroege overname - voorkwam dat Nederland ook nog een bronzen medaille aan het totaal toevoegde. De betekenis van de Spelen van 1928 mogen nochtans niet worden onderschat. Nederland stond als zwemland op de kaart. Het voorbereidende werk van onder meer Ma Braun en haar zwemsters wierp zijn vruchten af. Het ooft smaakte hen des te zoeter. Amsterdam had in de jaren twintig de dans om het dameszwemmen in Nederland geleid, het werd thans, precies zoals Ma Braun voor ogen had gehad, echter door Rotterdam gedicteerd.

start 400 m vrije slag dames OS 1928 Ma Braun moedigt haar dochter aan Zus Braun OS 1928
start 400 meter vrije slag dames OS 1928 Ma Braun moedigt haar dochter aan Zus Braun tijdens OS 1928

 

Poldermeisjes aan de top

De opkomst van het Nederlandse (dames)zwemmen in de jaren twintig ging gepaard met het voortschrijdende inzicht, dat kunst van het zwemmen geen luxe, doch een bittere noodzaak was in een waterrijkland als Nederland. De in 1933 koninklijk geworden NZB voerde niet voor niets het devies: 'iedere Nederlander zwemmer'. Het was wellicht om die reden ook maatschappelijk eerder geaccepteerd, dat vrouwen de zwemsport bedreven, waardoor mogelijkerwijs het dameszwemmen een hoger pijl bereikte dan in andere landen, opdat Nederland de internationale concurrentie aan kon met traditionele zwemlanden als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Duitsland. Dient de bloei van het dameszwemmen in Nederland dan louter te worden bezien als een gelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij de klasse van de Nederlandse dames vooral te wijten was aan een kwalitatief en kwantitatief gebrek aan klasse van de tegenstanders? Ligt hierin tevens een aanwijzing besloten, voor de geringe prestaties van de Nederlandse mannen in deze periode? Het lijkt nogal ver te gaan de oorzaken van het Nederlandse succes enkel te zoeken in de tekortkomingen in het buitenland. Afdoende antwoorden zijn echter nog niet te geven, daarvoor is nader onderzoek gewenst. Vast staat in ieder geval, dat de opgang van het zwemmen in Nederland zondermeer te relateren valt aan de gestadige groei van het aantal zweminrichtingen, een tendens welke zich sedert het einde van de negentiende eeuw heeft afgetekend. Vooral in Amsterdam, 's-Gravenhage en Rotterdam openden zweminrichtingen hun deuren. Het is daarom niet verwonderlijk dat daar het fundament is gelegd van de georganiseerde zwemsport in Nederland. Deze steden in het westen des lands hadden - met hun (overdekte) zweminrichtingen - een voorsprong op het 'achterland', dat veelal nog verstoken was van goed geoutilleerde zwembaden, een belangrijke voorwaarde om regelmatig te kunnen trainen. De successen uit de jaren twintig werden dan ook gedragen door verenigingen als ADZ, HDZ, RDZ en ODZ.

De jaren dertig waren voor het Nederlandse wedstrijdzwemmen een aaneenschakeling van (tot op heden nog ongeëvenaarde) successen. Terwijl Nederland werd meegesleurd in een vanuit Amerika overgewaaide, economische depressie, zouden poldermeisjes de hegemonie van de Verenigde Staten in het dameszwemmen breken. De Europese Kampioenschappen van 1931 brachten de Nederlandse zwemploeg reeds de overwinning op het eigen continent. Marie Braun won op overtuigende wijze de 100 meter rugslag en de 400 meter vrije slag. Jenny Kastein (HDZ) en Willy den Ouden (RDZ) veroverden zilver op respectievelijk de 200 meter schoolslag en de 100 meter vrije slag. Als klapstuk wisten de dames ook nog het kampioenschap op 4 x 100 meter vrije slag naar Nederland te halen. Tijdens de Olympische Spelen van 1932 wachtte derhalve een interessante confrontatie tussen de Europees Kampioen en de Verenigde Staten. Door de economische crisis, die in alle hevigheid was losgebarsten, zagen echter weinig landen kans een grote afvaardiging te sturen. Het had weinig gescheeld of ook de Nederlandse zwemploeg was thuis gebleven. Enkel de financiële bijdrage van de KNVB maakte het voor  de zwembond mogelijk een vijftal zwemsters naar Los Angeles te sturen. Deze kleine ploeg legde dankzij Willy den Ouden beslag op twee zilveren medailles. De Rotterdamse zwemster was uitgegroeid tot de revelatie van het toernooi. Met haar veertien lentes zwom de publiekslieveling op de 100 meter vrije slag en de 4 x 100 meter vrije slag naar de tweede plaats. Dit was een welkome opsteker voor het Nederlandse kamp. Een mysterieuze steek in het been had Marie Braun reeds vroegtijdig uitgeschakeld voor deelname aan de finales 100 meter rugslag en 400 meter vrije slag, waardoor twee medaillekansen verloren waren gegaan.

Nederlandse ploeg OS 1932
Nederlandse ploeg tijdens de OS van 1932: v.l.n.r.: Puck Oversloot, Marie Braun, Corrie Laddé, Marie Vierdag en Willy den Ouden.

 

Bij terugkomst uit Los Angeles wachtte de zwemploeg een warm onthaal. Met name Willy den Ouden mocht zich verheugen op een grote populariteit. Haar prestaties gaven daar ook zeker reden toe. Vanaf 1933, toen zij voor het eerst het wereldrecord op de 100 meter vrije slag verbrak, zette zij internationaal de toon op de crawlnummers. In een periode van vier jaar bracht zij dertien wereldrecords op de klokken. De afstanden varieerden van 100 yards tot en met de 500 meter vrije slag. Met name haar 1:04.6 op de 100 meter vrije slag uit 1936 zou Willy den Ouden legendarisch maken. Maar liefst twintig jaar was deze tijd onbreekbaar.

Willy den Ouden in 1933 Willy den Ouden in 1936
Willy den Ouden in 1933 Willy den Ouden in 1936

 

In haar hoogtijdagen kreeg Willy den Ouden evenwel concurrentie van een ander fenomeen uit Rotterdam: Rie Mastenbroek (ODZ). Deze door 'Ma' Braun getrainde zwemster legde zich aanvankelijk toe op de rugslag, maar boekte ook op de borstcrawl grote progressie. Tijdens de Europese Kampioenschappen van 1934 bonden de beide Rotterdamse zwemsters voor het eerst internationaal de strijd met elkaar aan. De concurrentie was gedoemd tot volgen. Op de 100 meter vrije slag zegevierde Willy den Ouden. De 400 meter vrije slag en de 100 meter rugslag waren dankzij een machtige eindsprint een prooi voor Rie Mastenbroek, die Nederland ook op de 4 x 100 meter vrije slag naar de eindoverwinning sleepte. Andermaal waren de meisjes uit de polder de beste van Europa. De wereldrecordlijsten gaven bovendien aan, dat Nederland meer en meer kon wedijveren met de Verenigde Staten. Willy den Ouden heerste op de sprintafstanden, Rie Mastenbroek en Tini Wagner (het IJ) scherpten de tijden aan op de middenlange afstanden. Ook de rugslag werd gedomineerd door Nederlandse vrouwen. Na Willie den Turk, die in 1927 het wereldrecord brak op de 100 meter, hadden zich naast Marie Braun tevens Rie Mastenbroek en Nida Senff (ADZ) aan de recordlijsten toegevoegd.

EK 1934 estafetteploeg
EK 1934 v.l.n.r.: Willy den Ouden, Rie Mastenbroek, Anna Timmermans en Jopie Selbach

 

Nederland maakte zich op voor de Olympische Spelen van 1936, die in Berlijn werden gehouden. Ofschoon het zwaar werd geteisterd door de gevolgen van de economische crisis welke midden jaren dertig in alle hevigheid was losgebarsten, bleef sport onverminderd populair. Kranten en radio ruimden steeds meer plaats in voor sportverslaggeving, die zich op een grote belangstelling mocht verheugen van de bevolking, welke in de bijzondere, sportieve prestaties van landgenoten afleiding zocht voor de alledaagse problemen. Nederland was er dan ook getuige van hoe zijn zwemsters de heerschappij in het dameszwemmen naar zich toe trokken. Rie Mastenbroek was ongenaakbaar en won de 100 meter en de 400 meter vrije slag. Daarnaast veroverde zij achter landgenote Nida Senff het zilver op de 100 meter rugslag. Met Tini Wagner, Wily den Ouden en Jopie Selbach behaalde Rie Mastenbroek voor de derde maal goud, een tot dan toe ongeëvenaarde prestatie in de geschiedenis van de moderne Olympische Spelen. Alleen op de schoolslag slaagde Nederland er niet in op het podium te geraken. De medaille-oogst bedroeg vier maal goud en één maal zilver. Pas ruim zestig jaar later zou deze in Sydney worden overtroffen.

OS 1936 estafetteploeg
OS 1936 v.l.n.r.: Willy den Ouden, Rie Mastenbroek, Tini Wagner en Jopie Selbach

 

Het dameszwemmen in Nederland was toonaangevend geworden. De buitenlandse invitaties voor zwemdemonstraties stroomden binnen. Nieuwe talenten bleven zich ook na de Spelen van 1936 aandienen. Jopie Waalberg (ADZ) zwom wereldrecords op de schoolslag en Cor Kint (R) en Iet van Feggelen (de Meeuwen) waren verwikkeld in een strijd om de eerste plaats op de recordlijsten van de rugslag. Toch kregen de poldermeisjes aan het einde van het decennium geduchte tegenstand van Denemarken, dat Nederland meer en meer naar de kroon begon te steken. Tijdens de Europese Kampioenschappen van 1938 behaalde de Deense ploeg zelfs een klinkende overwinning. Raghnild Hveger, Birte Ove-Petersen en Inge Sørensen zorgden in Londen voor vier Deense zeges. De Nederlandse  Rie van Veen (RDZ) moest genoegen nemen met een zilveren en een bronzen medaille  op respectievelijk de 400 meter vrije slag en de 100 meter vrije slag. Het enige Nederlandse goud in het damestoernooi kwam op conto van Cor Kint die net voor Iet van Feggelen als eerste wist aan te tikken op de  100 meter rugslag, een afstand welke op alle voorgaande kampioenschappen ook al door een Nederlandse was gewonnen. Met de derde plaats van Jopie Waalberg op de  200 meter schoolslag en het zilver op de 4 x100 meter vrije slag stond op alle onderdelen wel een Nederlandse op het podium, wat het verlies van de Europese suprematie toch allezins draaglijk maakte.

Denemarken - Nederland
wedstrijd 1937 v.l.n.r.: Rie Mastenbroek, Willy den Ouden, Raghnild Hveger en Rie van Veen

 

Dat de Kampioenschappen van 1938 niettemin als memorabel de geschiedenis in zijn gegaan, kwam door het onverwacht goed presteren van de Nederlandse heren, die gedurende de jaren twintig en dertig immer in de schaduw hebben gestaan van de dames. Finaleplaatsen waren schaars, laat staan eremetaal. De enige Nederlandse man, die tot 1938 op een internationaal zwemtoernooi een medaille had behaald, was Johannes Drost. Tijdens de Olympische Spelen van 1900 zwom hij op de 200 meter rugslag naar brons. Dat Kees Hoving in 1938 Europees Kampioen werd op de 100 meter vrije slag was dan ook een volslagen verrassing. De Rotterdammer dook in een zinderende finale daarenboven als eerste Nederlandse man onder de minuut. De derde plaats van Stans Scheffer op de 100 meter rugslag omgaf het reeds geslaagde toernooi met nog meer luister en vormde een passend slotakkoord van een decennium, waarin het Nederlandse zwemmen tot ongekende bloei kwam. (KM)