1990 - heden: naar een nieuwe eeuw, neergang en opkomst?

Untitled document

De overgang van de jaren tachtig naar de jaren negentig ging gepaard met grote veranderingen. In 1989 viel de Berlijnse muur, wat de de doodsteek betekende voor de DDR, welke in haar val een groot deel van de communistische wereld met zich meesleurde. Het 'IJzeren Gordijn' werd geopend en het eens zo machtige Sovjetimperium viel uiteen. Daarmee kwam in 1991 formeel een einde aan de Koude Oorlog. Verlost van de ideologische patsstelling, die de wereld voor meer dan veertig jaar in haar greep had gehouden, was het aan de Verenigde Staten en hun bondgenoten om de wereldgemeenschap naar een nieuw tijdperk te leiden. De weg bleek echter bezaaid met moeilijkheden. Hoewel de wereld door technische innovaties als het internet en de voor velen toegankelijk geworden, snelle voertuigen - tot aan ruimtesondes toe - kleiner lijkt dan ooit, is zij vandaag de dag ook complexer dan voorheen. Het aangezicht van Europa werd in een kort tijdsbestek ingrijpend gewijzigd. Er ontstonden nieuwe staten, die samen met de voormalige Oostbloklanden nadrukkelijk aansluiting zoeken bij de Europese familie. Oude conflicten laaien op - zoals in de Balkan - en nieuwe machten bestormen het wereldtoneel. Het 'Westen' ziet zich geplaatst tegenover de almaar groeiende economieën van China en India, en voelt zich tevens bedreigd door oncontroleerbare krachten uit het Midden-Oosten. Beschouwingen over wereldwijde klimatologische veranderingen nopen de burger daarenboven zijn huidige (consumptieve) leefpatroon te heroverwegen en bij te stellen. Vertrouwde zekerheden verdwijnen. Maar de Westerse mens tracht deze angstvallig te behouden, ook al zijn zij niet meer dan een luchtspiegeling van wat eens was, bang voor het onbekende achter de horizon.

Berlijnse Muur gevallen e-mailknop IJsberen op een smeltend ijsblok euromunt

Een huis in verval

De grote staatkundige herschikking in Europa heeft de machtsverhoudingen binnen de zwemwereld aanzienlijk gewijzigd. In het vrouwenzwemmen kwam een einde aan de jarenlange hegemonie van de DDR. Dit gaf andere landen, die in het verleden nooit bij machte waren geweest om de Oost-Duitse ban te breken en voornamelijk tot achtervolgen waren gedoemd, een kans om zich de vrijgekomen zwemtroon toe te eigenen. Voor Nederland pakte dit niet ongunstig uit. Twee jaar na de val van de Berlijnse muur, wist het in 1991 voor het eerst in 25 jaar een Europese titel te bemachtigen. De vrouwenestafetteploeg 4 x 100 m vrije slag - bestaande uit , Inge de Bruijn, en Karin Brienesse - versloeg Duitsland in een spannende finale. Het Europese goud werd luid bejubeld. Met de Olympische Spelen in aantocht betekende elke overwinning immers een stijging van de kansen. Temeer daar de ploeg tijdens de Spelen in Barcelona weer zou kunnen beschikken over Marianne en Mildred Muis. Het opgestookte, Olympische vuur zou echter als een nachtkaars doven. De Olympiade van 1992 werd een deceptie voor de Nederlandse zwemploeg. Slechts vier finaleplaatsen viel Nederland ten deel. Karin Brienesse werd achtste op de 100 m vrije slag, Inge de Bruijn behaalde eveneens een achtste plaats in de finale van de 50 m vrije slag. De beide estafetteploegen - in het verleden zo vaak een garantie op een medaille - bleven dit maal ver verwijderd van het podium. Teleurgesteld keerden de Nederlandse zwemmers weer, een ervaring rijker en een illusie armer.

Nederland was tijdens de Olympische Spelen van Barcelona ontmaskerd. De Europese titel van 1991 bleek een Pyrrhusoverwinning. Te lang had Nederland geteerd op successen uit het verleden. De DDR had weliswaar met medicamenten het zicht op de werkelijke krachtsverhoudingen vertroebeld, maar de Nederlandse zwemploeg had feitelijk al vanaf eind jaren tachtig aan kwaliteit (èn kwantiteit) ingeboet. Zwemmers beëindigden hun carrière en nieuw talent was niet voor handen. De top was hierdoor steeds smaller geworden, terwijl de concurrentie uit het buitenland hand over hand toenam. De DDR mocht dan zijn verdwenen, met het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1991, de hereniging van Duitsland en het ontwaken van China waren er meer dan voldoende kanshebbers voor eremetaal. De Nederlandse resultaten op grote internationale toernooien liepen langzaam terug en reikten in 1992 nauwelijks meer tot een aanvaardbaar (mondiaal of Europees) niveau. De Spelen van Barcelona vormden slechts de bevestiging van een proces, dat al langer gaande was. De villa van de Nederlandse zwemsport was vervallen en de eens zo welig bloeiende tuin verdord. De fijne ornamenten in het exterieur, de versleten tapijten, het geoxydeerde zilverwerk en de afgebladderde schilderingen getuigden van oude luister. In het kraken van de houten vloer weerklonk een echo van vele opgetogen meisjesstemmen uit een ver verleden.

Luctor et emergo

Het Nederlandse zwemmen verkeerde aan het begin van de jaren negentig in een crisis. Bondscoach Ton van Klooster diende na de Spelen van 1992 zijn ontslag in. De KNZB stelde René Dekker als zijn opvolger aan. Na het échec in Barcelona verliepen de Europese Kampioenschappen lange baan van 1993 in Sheffield - ondanks de elf finale plaatsen - opnieuw teleurstellend. In het damestoernooi wist alleen het grillige talent Inge de Bruijn een medaille te veroveren. Bij de mannen zorgde Marcel Wouda echter voor een daverende verrassing door op de 400 m wisselslag het brons in de wacht te slepen. Voor het eerst sinds 1985, toen Frank Drost op de 200 m vlinderslag beslag legde op het brons, stond er weer een Nederlander op het Europese ereschavot. Ook de prestaties van Ron Dekker gaven aan het einde van het zware zwemjaar 1993 reden tot juichen. De korte baanspecialist had tijdens de Europese Sprintkampioenschappen in Gateshead de titel veroverd op de 100 m wisselslag. Daarenboven wist hij de wereldbeker schoolslag op zijn naam te schrijven. Hoewel de resultaten van Marcel Wouda en Ron Dekker met voorzichtig optimisme werden ontvangen, waren deze prestaties uitzonderlijke bloemen in een verder dor zwemlandschap. De wereldkampioenschappen lange baan in Rome, één jaar later, bevestigden dat beeld. Niet meer dan drie Nederlanders wisten door te dringen tot de finales.

Het jaar 1995 bracht evenwel de zo vurig gehoopte ommekeer. Bij de Europese Kampioenschappen lange baan in Wenen stond er een 'verjongde' Nederlandse ploeg aan de start. Een aantal veelbelovende talenten, onder wie Benno Kuipers, Stefan Aartsen, Mark Veens en Pieter van den Hoogenband, had zich aangediend, terwijl zwemmers als Carla Geurts, Kirsten Vlieghuis, Marcel Wouda, Inge de Bruijn en Angela Postma voldoende bleken gerijpt een gooi te doen naar eremetaal. De resultaten in Wenen vielen niet tegen. Er werden drie medailles behaald, weliswaar was dat slechts één meer dan in 1993, doch het aantal finaleplaatsen steeg aanmerkelijk. Negentien Nederlands drongen door tot de eindstrijd, een score die al lange tijd niet was gehaald.

De weg omhoog was ingezet. De ambitieuze Jacco Verhaeren, oefenmeester van PSV, had daar een belangrijk aandeel in. Veel van de finaleplaatsen in Wenen waren door zijn pupillen afgedwongen. Verhaeren was evenwel niet onomstreden. In zijn trainingen had hij gebroken met de toen gangbare wetten in de zwemsport. 'Het ging (...) niet goed met het Nederlandse zwemmen', zo kijkt Jacco Verhaeren in 2002 terug. 'De Spelen van Barcelona en de WK in Rome waren zeer teleurstellend verlopen. Nederland spiegelde zich te veel aan het buitenland. Om de kloof te overbruggen, moest volgens sommige trainers nog harder worden getraind en nog meer kilometers worden gemaakt. Een gedachtegoed uit de jaren zeventig, tachtig en dus achterhaald. Voor mij gold kwaliteit tegenover kwantiteit: techniek moest meer aandacht krijgen.' Bij PSV kreeg Verhaeren de ruimte zijn eigen weg te gaan. Waar die naar toe zou leiden, was bij zijn aanstelling in 1993 nog niet bekend. Doch resultaten van de Europese Kampioenschappen van 1995 bewezen, dat met de aanpak van Jacco Verhaeren de top - na jaren in het dal te hebben verkeerd - weer in het vizier kwam.

affiche Atlanta 1996 Kirsten Vlieghuis tijdens haar bronzen race Kirsten Vlieghuis met haar bronzen medaille

De Olympische Spelen van 1996 waren de eerstvolgende gelegenheid, waar de Nederlandse zwemmers zich konden meten met de rest van de wereld. In Atlanta zou blijken of de stijgende lijn van de EK van 1995 zich zou doorzetten. In tegenstelling tot vier jaar geleden, had de buitenwacht moeite om de kansen in te schatten. Wat mocht er van deze jonge zwemploeg worden verwacht? Gaandeweg het toernooi sloeg de aanvankelijke twijfel echter om in een voorzichtig optimisme. Kirsten Vlieghuis legde op de 400 m èn 800 m vrije slag verrassend beslag op de bronzen medaille. Daarnaast werden er veertien finaleplaatsen in de wacht gesleept, waarbij met name de heren estafetteploegen 4 x 100 m en 4 x 200 m vrije slag, als ook de twee vierde plekken van de toen nog voor het grote publiek onbekende Pieter van den Hoogenband voor sensatie hadden gezorgd binnen de Nederlandse zwemwereld. Niemand kon bevroeden dat Nederland aan de vooravond stond van een nog veel sensationeler slot van de twintigste eeuw.

Naar een nieuwe gouden eeuw

De prestaties in Atlanta hadden de positie van Jacco Verhaeren versterkt. Naast Kirsten Vlieghuis trainden ook Pieter van den Hoogenband en Marcel Wouda in Eindhoven. Met deze zwemmers zou Verhaeren de Europese en mondiale wateren veroveren. Een jaar na de Spelen was Nederland getuige van een unieke prestatie. Marcel Wouda won bij de Europese Kampioenschappen van 1997 goud op de 200 m en 400 m wisselslag. Vijfendertig jaar na Johan Bontekoe, die in 1962 de finale van de 400 m vrije slag had gewonnen, stond er weer een Nederlandse zwemmer op de hoogste podiumtrede van een Europees toernooi. Het zilver van Kirsten Vlieghuis op de 800 m vrije slag en de medailles van de heren estafetteploegen op de 4 x 100 m en 4 x 200 m vrije slag zetten het voor Nederland toch al geslaagde toernooi extra luister bij. Met groot vertrouwen toog de Nederlandse ploeg een jaar later in 1998 naar de wereldkampioenschappen in Perth, waar Marcel Wouda wederom geschiedenis schreef. In een spannende finale van de 200 m wisselslag eiste hij - als tweede Nederlandse zwemmer na Annemarie Verstappen - de wereldtitel voor zich op, waarmee hij - na de Europese titels, twee wereldrecords op de korte baan en de wereldbeker - zijn suprematie op de wisselslag onderstreepte. Mitsgaders wist Nederland in Australië nog achtien finaleplaatsen en vier medailles te behalen.

Marcel Wouda tijdens EK 1997 Wouda zwemt zijn eerste wereldrecord Marcel Wouda met een gouden medaille

De euforie van Perth bleek aanstekelijk. In aanloop naar de Spelen van Sydney 2000 deed een zware Nederlandse zwemdelegatie Hongkong aan voor de wereldkampioenschappen korte baan van 1999. In tegenstelling tot wat in Nederland gebruikelijk was, liet dit maal vooral het herencontingent van zich  spreken. Mark Veens haalde brons op de 50 m vrije slag, Joris Keizer verbaasde eveneens met brons op de 50 m vlinderslag, Marcel Wouda zwom naar het zilver op de 400 m wisselslag en het brons op de 200 m wisselslag, en de herenestafetteploeg greep het zilver op de 4 x 100 m vrije slag en zelfs - na een diskwalificatie van de Australiërs - de wereldtitel op 4 x 200 m vrije slag. De succesreeks zette zich voort in Istanbul, dat in 1999 het decor vormde van de Europese kampioenschappen lange baan. Na een week zwemmen, stond de teller voor Nederland op dertien medailles, 28 finaleplaatsen, en twee Europese en veertien nationale records; een ongekend historisch succes! Istanbul betekende de doorbraak van Pieter van den Hoogenband die met zes titels de meest verdienstelijke zwemmer van het toernooi was en zich nadrukkelijk kandidaat stelde voor Olympische eremetaal. Ook Inge de Bruijn meldde zich weer aan het front. Na haar breuk met PSV was zij naar Amerika vertrokken, waar zij zich onderwierp aan het Spartaanse trainingsregime van Paul Bergen. De noeste arbeid betaalde zich thans uit. De wereldkampioenschappen korte baan in Hongkong hadden haar al wereldrecord en een gouden medaille op de 50 m vrije slag gebracht. In Istanbul veroverde zij ook nog eens de Europese titel op de 50 m vrije slag en de 100 m vlinderslag. Doordat Marcel Wouda bovendien zijn titel op de 200 m wisselslag - ternauwernood - wist te prolongeren, ging in het totaal negen maal de Nederlandse driekleur in top.

Pieter van den Hoogenband in Sydney 2000 affiche Sydney 2000 Inge de Bruijn bereidt zich voor op haar race

De zwemsport leefde. Tijdens de Olympische Spelen van Sydney zouden Nederlandse zwemmers zelfs voor het eerst in jaren het nieuws in Nederland (en daarbuiten) beheersen. Ofschoon de Nederlandse zwemploeg reeds in 1999 zijn visitekaarte had afgegeven, was zij niet de eerste afvaardiging die met grote verwachtingen afreisde. In de sport blijft immers alles mogelijk. Toen Inge de Bruijn in de maanden mei, juni en juli een magistrale reeks van acht wereldrecords zwom, werd gevreesd dat zij te vroeg in vorm was geraakt. Marcel Wouda's heerschappij op de wisselslag was tanende en hoe zou Pieter van den Hoogenband zich houden nu hij uit de schaduw van de groten was gestapt en met zijn machtsgreep in Istanbul openlijk had gesolliciteerd voor een favorietenrol, temeer daar de resultaten bij de Europese Kampioenschappen van 2000 in Helsinki toch wat tegenvielen. Twijfels beheersten de polder. Ook daarbuiten werd overigens met argusogen gekeken naar de opmerkelijke herrijzenis van het Nederlandse zwemmen. Bedenkingen, die na de Spelen van Sydney in kracht toenamen. Zij konden het Oranjefeestje echter niet verstoren. De Nederlandse topzwemmers lieten ditmaal namelijk geen verstek gaan. Inge de Bruijn behaalde vierenzestig jaar na Rie Mastenbroek drie maal goud. Madam Butterfly zette de concurrentie op de 50 m en 100 m vrij en de 100 m vlinder op (ruime) achterstand en sleurde de damesploeg op de 4 x 100 m vrije slag naar zilver. Pieter van den Hoogenband zegevierde als eerste Nederlandse zwemmer in een Olympische finale. In één van de meest memorabele races ooit hield hij de Australische favoriet Ian Thorpe van goud af op de 200 m vrije slag. Tevens won hij - naar eigen zeggen - het koningsnummer van de zwemsport. Met groot vertoon van macht snelde hij naar de titel op de 100 m vrije slag. Daarnaast stelde hij samen met Marcel Wouda - die op zijn individuele nummers jammerlijk te kort schoot - het brons veilig op de 4 x 200 m vrije slag. De natie voelde zich 'toppiejoppie' en juichte mee. Het was al goud, dat er blonk.

Nederland, zwemland?

Marcel Wouda beëindigde in 2000 zijn zwemcarrière. De man, die in 1993 nog voor het enige vonkje had gezorgd in de verder donkere hal van het Nederlandse zwemmen, gaf een hevig brandende fakkel door aan zijn 'opvolgers'. Met Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband had Nederland immers twee zwemmers van wereldklasse, die een greep konden doen naar internationale titels. Tijdens de wereldkampioenschappen in 2001 en 2003 bevestigde Inge de Bruijn haar status met vijf wereldtitels.  Voor Pieter van den Hoogenband bleef een mondiale titel uit. Hij moest genoegen nemen met zes zilveren en één bronzen medaille. Wel behaalde hij in 2002 en 2004 nog drie titels op het Europese podium. Sydney had het leven van beide zwemmers voorgoed veranderd. Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband waren de zwemsport ontstegen en werden bekende Nederlanders. Wat zij ook ondernamen, het was nieuws. Het zwemmen zelf verdween daarentegen na het wegebben van alle euforie wederom in de marge van de sportjournaals. De goudkoorts van Sydney had voor het keren van het tij nog net een aantal ontwikkelingen in gang kunnen zetten. Rondom De Bruijn en Van den Hoogenband werd bij PSV de eerste commerciële zwemploeg opgericht. Amsterdam (TZA) en later Amersfoort (X-lence Swimteam) volgden. Tevens werd er in Eindhoven een gloednieuw zwemstadion uit de grond gestampt, waardoor de KNZB met goed fatsoen een gooi kon doen naar de organisatie van de Europese Kampioenschappen, welke in 2008 - na 42 jaar - weer in Nederland neerstreken.

Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband op het bordes met koningin Beatrix affiche Athene 2004 Estafettezilver voor de heren op de 4 x 100 m vrije slag in Athene

Het meest begeerde effect bleef nochtans uit. De resultaten van de Spelen van 2000 zorgden slechts voor een korte piek in de populariteit van het zwemmmen. Van een blijvende toeloop van jeugdig talent is vooralsnog geen sprake. Dit maakt het Nederlandse zwemmen kwetsbaar. De Spelen van 2004 in Athene lieten zien, dat Nederland op de grote toernooien zonder Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband weinig kon uitrichten. In Sydney waren er nog twaalf finaleplaatsen geweest, in Athene waren dat er slechts acht. Deze finaleplaatsen kwamen bijna volledig op conto van Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband. Beide zwemmers prolongeerden hun titels op respectievelijk de 50 m vrije slag en de 100 m vrije slag, wonnen op individuele nummers nog drie medailles en hadden een groot aandeel in de gunstige eindklassering van de drie estafetteploegen. De Nederlandse top is nooit breed geweest, doch dat de zwemsport in de toekomst afhankelijk zou zijn van twee zwemmers, was een wel heel precaire situatie. Een jaar later werd tijdens de wereldkampioenschappen van 2005 in Montréal de kwetsbaarheid van het Nederlandse zwemmen in optima forma gedemonstreerd. Inge de Bruijn had voor onbepaalde tijd rust genomen en Pieter van den Hoogenband was herstellende van een hernia-operatie. De Nederlandse équipe kwam niet verder dan zes finaleplaatsen en één medaille. Het was Marleen Veldhuis, die op de slotdag op de 50 m vrije slag nog een tweede plaats uit het vuur wist te slepen.

Marleen Veldhuis is samen met Inge Dekker - die in 2006 Europees kampioene werd op de 100 m vlinderslag - één van de weinige zwemsters van na de Spelen van 2000, die zich internationaal heeft gemanifesteerd. In 2002 maakte ze haar debuut bij de Europese Kampioenschappen lange baan met een verdienstelijke vijfde plaats op de 100 m vrije slag. Finaleplaatsen bij de wereldkampioenschappen van 2003 volgden. In datzelfde jaar legde ze beslag op haar eerste internationale titel. Tijdens de Europese kampioenschappen korte baan won Marleen Veldhuis goud op de 50 m vrije slag. Haar zwemcarrière - die op relatief late leeftijd van de grond was gekomen - kwam in een stroomversnelling. Na een teleurstellend optreden bij de Olympische Spelen van Athene, nam zij sportieve revanche door zich op de 50 m vrije slag in Indianapolis tot wereldkampioene op de korte baan te laten kronen. In 2004, 2005 en 2006 toonde Marleen Veldhuis zich met vijf individuele titels en vijf estafettewereldrecords wederom een groot kampioene op de Europese korte baan. Op de lange baan leek het daarentegen maar niet echt te vlotten. Na vier jaar onder Fedor Hes te hebben getraind, stapte ze daarom - net als Inge Dekker - in 2006 over naar het Eindhoven van Jacco Verhaeren.

Marleen Veldhuis WK korte baan in 2006: Nederlandse dames zijn wereldkampioen Inge Dekker

Hoewel Marleen Veldhuis en Inge Dekker zich inmiddels bij de wereldtop hebben geschaard, blijft de basis voor internationaal succes smal. De KNZB erkent de problematiek en poogt met een herziening van de organisatiestructuur van het Nederlandse zwemmen een nieuwe weg in te slaan. Ten einde de Nederlandse top te versterken en de weinig vruchtbare concurrentiestrijd tussen de commerciële ploegen te beslechten, heeft de bond Jacco Verhaeren op 1 maart 2006 aangesteld als technisch directeur. Voortaan zullen de commerciële zweminstituten in Eindhoven en Amsterdam door hem worden aangestuurd en zal hij tevens de verantwoordelijkheid dragen voor de voorbereiding op de grote toernooien. Maar niet alleen op topniveau poogt de bond lijnen uit te zetten, ook op vereniginsniveau wil de KNZB met een meerjarenopleidingsplan en de daarbijhorende Swimkick-techniekprogramma's de zwemverenigingen in den lande van een kwaliteitsimpuls voorzien. Met het recente afscheid van Inge de Bruijn, Mark Veens en Johan Kenkhuis zal Nederland alle zeilen bij moeten zetten om zijn verworven plaats in de internationale zwemwereld ook in de toekomst te kunnen behouden. De concurrentie is feller dan ooit. In de Nederlandse zwembaden, de schichtige en wisselvallige kweekvijver van talent, pogen de netten van de KNZB de topzwemmers van morgen te vangen. De tijd zal het leren of de huidige zwemopleving structureel of van een uitzonderlijk kaliber was, en of de mooie jaren van het Nederlandse wedstrijdzwemmen definitief achter ons liggen in dit land van polders en tulpen, waar koning voetbal de scepter zwaait. (KM)