Nederlandse records

Untitled document

De recordgeschiedenis van Nederland gaat terug tot aan het begin van de vorige eeuw. De eerste naam die op de officiële recordlijsten voorkomt, is die van Piet Ooms . Zijn record op de 200 m vrije slag stond in 1905 op 3:00.2, een tijd die tegenwoordig zelfs de jongste zwemmers nog maar weinig kan bekoren. Er is in de afgelopen honderd jaar dan ook veel veranderd. In de tijd van Piet Ooms was van uniformiteit bijvoorbeeld weinig sprake. Afstanden lagen nog niet vast. Wedstrijden over 500 m, 1000 m of 1200 m waren geen zeldzaamheid. Er bestonden bovendien grote verschillen tussen de banen, waarop werd gezwommen. Naast zwembaden - met stilstaand water - werd er evengoed gebruik gemaakt van begrensde stukken rivier of meer, waarbij de baanlengte kon variëren. Bassins maten 20 meter, 33 meter of soms zelfs 100 meter. Dat dit een grote invloed had op de tijden die er werden gezwommen, spreekt voor zich.

De oprichting van de FINA - de internationale zwembond - in 1908 bracht meer structuur in de zwemsport. Er werden afspraken gemaakt over de baanlengte en de afstanden. Voortaan diende het Olympisch zwemtoernooi in een bad van 50 meter te worden afgewerkt en ontstond er een min of meer vastomlijnd programma, waarin naast de 100 meter, 400 meter, 1500 meter en 4 x 200 meter vrije slag, ook de 100 meter rugslag en de 200 meter schoolslag een plaats kregen. Met de totstandkoming van  internationale reglementen, werd het voor het eerst mogelijk betrouwbare recordlijsten bij te houden. Wereldtijden van toen, zijn voor de hedendaagse zwemvolger wellicht weinig spectaculair. In de periode van 1910 tot 1930 stond de wedstrijdsport echter aan het begin van zijn ontwikkeling. Het waren de kinderjaren van het zwemmen, waarin bijkans alles voor het eerst - proefondervindelijk - moest worden ontdekt. De wedstrijdomstandigheden mochten dankzij de regels van de FINA - redelijkerwijs - zijn geëgaliseerd, zwemtechnieken en trainingsmethodieken waren als woeste grond dat nog moest worden ontgonnen, wat uiteraard zijn uitwerking had op de recordontwikkeling. Zo deed de crawl pas in de jaren twintig zijn intrede in Nederland. Voorheen hadden zwemmers de borstslagonderdelen in de langzamere school- of zijslag afgelegd. Daarenboven waren de trainingsmogelijkheden beperkt. Marie Vierdag memoreerde: 'er is wel eens tegen mij gezegd: "je zou meer moeten trainen dan komt er nog veel meer uit." Maar hoe moest dat? Het was een heel arme tijd. Allerlei faciliteiten zoals nu waren er niet. Ik  (...) moest gewoon mijn brood verdienen. Dan kon je niet een paar keer per dag het zwembad in duiken.' Dat Willy den Ouden één uur per dag trainde, wekte destijds in Nederland alom verbazing. Daarnaast mag ook de invloed van badkleding niet worden onderschat. Hydrodynamica was in de eerste jaren een onbekend begrip. Hoewel het wol rond 1920 werd vervangen door het lichtere en elastischere tricot, zou het tot aan uitvinding van polyamide en lycra in de jaren zestig duren voordat badkleding het lichaam goed ging omsluiten.

 

 


Vorige pagina: Records
Volgende pagina: Nederlandse records korte baan